Van alle mensen kun je iets leren

Van alle mensen kun je als kind iets leren over jezelf, ook van mensen die jou niet begrijpen. Dát is de kracht van de bruine fase van het blokkentorenmodel.

Voor je het weet sluit je kind zich af

Een hoogbegaafd of hoogsensitief kind krijgt vroeg of laat te maken met een volwassene die niet op hetzelfde denkniveau zit als hij. Een leerkracht bijvoorbeeld, die geen antwoord heeft op de vragen die hij stelt. Of een hulpverlener, die – vindt het kind – met domme opmerkingen komt. Voor je het weet sluit het kind zich af van andere mensen, omdat hij vindt dat hij van hen niets te leren heeft. Daarmee blokkeert hij echter een belangrijk aspect van zijn vorming: de interactie en reflectie-fase.

Myrthe en haar moeder hebben bij een hulpverlener een gesprek over Myrthe op school. Het meisje vindt het werk veel te makkelijk. Ze heeft daar klachten van en er moet gezocht worden naar een oplossing. Aan het eind van het gesprek legt de hulpverlener een boekje op tafel over hoogbegaafdheid. ‘Hier staat meer informatie in’, zegt ze. Ze schuift de folder naar moeder en zegt tegen Myrthe: ‘Ik geef het aan je moeder, want dit is misschien allemaal nog een beetje te moeilijk voor je om te lezen hè?’ Zodra ze buiten zijn zegt Myrthe boos: ‘Wat een stómme opmerking zeg! Ik had haar toch verteld dat ik al D-boeken lees, vier in een week! Dat kan ik toch ook zo’n stomme folder wel lezen en begrijpen?’

Allemaal zeggen ze dwaze dingen

Zoals James T. Webb signaleert vinden veel hoogbegaafde kinderen dat andere mensen traag denken in vergelijking tot henzelf: “… allemaal zeggen ze dwaze dingen en doen ze dwaze dingen bij vele gelegenheden. In de tussentijd vindt het hoogbegaafde kind dat hij veel vlugger dan zij een redelijke oplossing voor een probleem kan zien. […] Zijn wereld lijkt vol van banaliteiten, gemeenplaatsen, clichés en simpel denken, waarbij blijkbaar voor de hand liggende oplossingen nooit geprobeerd worden of geblokkeerd worden door kortzichtige mensen, die alleen oog hebben voor hun directe eigen belangen.” (1)

Myrthe voelt zich niet begrepen door een hulpverlener die ervan uitgaat dat zij de folder nog niet kan lezen. Daardoor is de kans groot dat zij zich gaat afsluiten voor wat de hulpverlener verder met haar bespreekt, ook als dat goede adviezen zijn. Kinderen die anderen slechts zien als dwazen dreigen de verbinding met mensen kwijt te raken. Ze sluiten zich af, nemen niets tot weinig meer van anderen aan. Daarmee blokkeren zij ‘spiegelingen’ van anderen, een belangrijk aspect in de vorming van de persoonlijkheid. Aan de hand van het door mij ontwikkelde blokkentorenmodel (geïntroduceerd in mijn nieuwe boek Ouders doen ertoe) leg ik het belang van spiegelingen (van andere mensen iets leren over jezelf) uit.

Het blokkentorenmodel

Het blokkentorenmodel is een schema dat kan dienen als hulpmiddel bij de opvoeding van kinderen. Dit model bevat een aantal fasen, weergegeven door kleuren, die staan voor ontwikkelingsstadia. Een kind maakt in zijn ontwikkeling fasen door waarin hij zijn persoonlijkheid en zijn identiteit vormt en iedere fase vraagt van ouders een specifieke houding en benadering. Iedere fase moet doorlopen worden en daarvoor is het noodzakelijk dat ouders de juiste, passende begeleiding geven. Blijft het kind ‘in een fase hangen’ dan zal het bijbehorende aspect van de persoonlijkheid onvolledig, wankel en kwetsbaar zijn.

De bruine fase

De bruine fase kenmerkt zich door interactie en reflectie. Vanuit de symbiose van de ‘wij’-fase (paars) heeft het kind zich gesepareerd tot een ‘ik’ (rood), waarmee hij nu opnieuw in contact met anderen treedt. Niet in symbiose, maar vanuit wederkerigheid. Het kind ervaart dat hij via interactie met andere mensen kan leren over zichzelf en dat hij eenzelfde invloed op die ander heeft. Klinisch psycholoog Jan Derksen daarover: “Het kind ervaart zijn beperkingen en grenzen, sterke en heel sterke kanten, het neemt waar wat andere kinderen ervan bakken, wat andere kinderen van hem vinden en over hem zeggen. Het kind vergelijkt dit met zijn eigen ideeën.” (2)

De kans is groot dat het kind in de bruine fase aanvankelijk overweldigd wordt door de spiegelingen van anderen: zo moet je het doen, dit doe je niet goed, dat vind ik niet leuk aan jou. De ouders leren hun kind daarmee om te gaan. Zij maken hem duidelijk wanneer en hoe hij iets van anderen aanneemt, zodat hij groeit en rijker wordt aan kennis en ervaring. Maar als anderen te ver gaan en te veel van het kind vragen leren zij hem ook om zijn eigen ruimte te bewaken en grenzen te stellen. Zo leert het kind dat er diversiteit bestaat, dat mensen verschillen van elkaar: niet iedereen denkt zoals hij, niet iedereen vindt lekker wat hij lekker vindt. Gelijkwaardigheid betekent dat het anders zijn van de ander ertoe doet. Het kind leert zijn eigenbelang af te wegen met de belangen van anderen, vanuit wederkerig denken.

De houding van de ouders

Een hoogsensitief of hoogbegaafd kind is vaak eerder dan gemiddeld toe aan de bruine fase. Met een jaar of vier kan hij al gericht zijn op wederkerigheid, samen spelen en loyaliteit. Hij haalt ook al veel informatie over zichzelf uit de wisselwerking met anderen, maar kan daarbij de neiging hebben dit te negatief op hemzelf te betrekken. Vaak zien we dat hoogbegaafde en hoogsensitieve kinderen al wel spiegelingen naar binnen halen, maar de geringe levenservaring beperkt hun vermogen om die spiegelingen in de juiste context te zien. De inbreng van ouders is belangrijk. Wat is de houding die ouders in de bruine fase aannemen?

  • Woorden geven aan emoties
    De ouders leren en helpen hun kind om woorden te geven aan wat hij voelt en ervaart.
  • Duiden van de buitenwereld
    De ouders maken duidelijk waarom volwassenen en kinderen doen wat zij doen. De waarnemingen van het kind bevrijden zij van oordelen, zij leren het kind dat iedereen ertoe doet.
  • Stimuleren van oplossingen
    De ouders laten hun kind nadenken over oplossingen die realistisch zijn en die voor beide (of alle) partijen volstaan en dus niet slechts de eigen belangen van het kind dienen.

Door de wereld te duiden krijgt het kind een kader om de spiegelingen in te plaatsen. James T. Webb geeft aan hoe belangrijk het is dat hoogbegaafde kinderen leren om ‘dwazen blij te verdragen’: “Door opvoeding en begeleiding kunnen hoogbegaafde kinderen gaan inzien dat mensen die niet even slim of snel zijn toch waarde hebben.”(3)

Valkuilen

Wat zijn de valkuilen voor ouders in de bruine fase? Ten eerste dat zij vinden dat hun kind moet krijgen wat hij nodig heeft. En als hij dat niet krijgt, dat zij ervoor zorgen dat hij het tóch krijgt. De moeder van Myrthe kan bijvoorbeeld opbellen en eisen dat haar dochter een andere hulpverlener toegewezen krijgt, iemand die wél begrijpt wat hoogbegaafdheid is.

Een tweede valkuil is dat ouders de buitenwereld gaan weghouden van hun kind door haar onrealistisch en ongeloofwaardig te noemen. Het kind hoeft zich van niemand iets aan te trekken, omdat niemand begrijpt hoe bijzonder hij is. ‘Ze snapt je niet, joh. Laat haar toch’, zou de boodschap van moeder aan Myrthe kunnen zijn, waarmee het meisje leert neer te kijken op de hulpverlener en niets van haar zal aannemen.

Een derde valkuil is om de omstandigheden die het kind tegenkomt traumatiserend te noemen. Zo kan moeder bijvoorbeeld vinden dat de hulpverlener Myrthe ernstig beschadigd heeft met haar opmerking. Maar wees daarmee voorzichtig, want je ondermijnt de veerkracht en de ontwikkeling van het kind. Je maakt hem kwetsbaar en breekbaar, omdat hij daadwerkelijk gaat geloven dat ieder beetje narigheid voor hem ziekmakend is.

Een vierde valkuil: ouders bagatelliseren de situatie en vinden dat het kind zich maar moet redden met wat hij tegenkomt. Moeder zegt bijvoorbeeld tegen Myrthe: ‘Niet zo boos doen, hoor. Deze mevrouw deed erg haar best voor jou’. Er wordt in dit geval geen uitleg en betekenis gegeven aan de interactie met anderen, de bruine fase wordt als het ware leeg gelaten.

Kracht

Met genoemde valkuilen kunnen de spiegelingen, die bedoeld zijn om het kind verder te laten groeien, hun werk niet doen. De bruine fase is voor een groot deel bedoeld om via anderen te leren wie je bent. Dit hoeven niet alleen positieve, ware spiegelingen te zijn. Ook negatieve, onware spiegelingen zijn onderdeel van dit proces. Als ouders hun kind veerkracht leren en hem op de juiste wijze begeleiden zal hij ook bij onware spiegelingen via andere mensen zichzelf leren kennen. Dát is de kracht van de bruine fase.

Moeder zegt bijvoorbeeld tegen Myrthe: ‘Ik merk dat het je boos maakt’ (woorden geven aan emoties), ‘waarom is dat?’. Myrthe antwoordt: ‘Omdat ze me niet begrijpt!’. Moeder: ‘Ze begrijpt misschien niet dat je de folder al kunt lezen. Maar ze is hulpverlener, dus andere dingen begrijpt ze wel heel goed’ (duiden, en de oordelen van het kind relativeren). Myrthe: ‘Wat dan?’. Moeder: ‘Ze weet hoe ze aan je juf moet uitleggen wat jij nodig hebt op school. Dus dat kun jij weer van haar leren.’ Myrthe: ‘Hoe dan?’ Moeder: ‘Ja, hoe zou je dat van haar kunnen leren?’ (stimuleren van een oplossing, die het kind zelf bedenkt). Myrthe: ‘Door het te vragen?’ Moeder: ‘Ja, bijvoorbeeld door het te vragen. De volgende keer dat je bij haar bent’. Myrthe: ‘Maar dan moet ze niet weer van die rare dingen zeggen!’. Moeder: ‘Wat kun je doen als ze toch iets raars zegt?’ (stimuleren van een oplossing). Myrthe: ‘Huh?’  Moeder: ‘Ja, je wordt nu boos bij mij, als we weer buiten zijn. Maar daarbinnen heb je niets laten merken. Waarom niet?’ Myrthe: ‘Dat durf ik niet’. Moeder: ‘Wat kan er gebeuren dan?’ Myrthe: ‘Dat ze boos wordt’. Moeder: ‘Ze is hulpverlener. Ze wil juist graag dat je haar vertelt wat je voelt. We hadden het er net over dat ze andere dingen wel goed begrijpt. Nou kijk, dáár is ze dus heel goed in’.    

Van alle mensen kun je iets leren over jezelf, ook van hen die jou niet begrijpen. Kinderen die dat principe in de bruine fase van hun ouders leren, hebben daar hun hele leven profijt van. 

Noten:
(1) Webb, J.T., Meckstroth, E.A. & Tolan, S.S. (2000). De begeleiding van hoogbegaafde kinderen: Een praktische gids voor ouders en andere opvoeders. Assen: Van Gorcum, p 18.
(2) Derksen, J. (2009). Het narcistisch ideaal: Opvoeden in een tijd van zelfverheerlijking. Amsterdam: Bert Bakker, p. 104.
(3) Webb (2000), p 20.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *